Tussenuitspraak van 15 augustus 2013 in Zaak 2013/1

tussen

de Ombudsman, verzoeker,

en

de regering van Sint Maarten, verweerder

1. Verloop van de procedure

1.1. Bij verzoekschrift van 23 januari 2013 heeft de Ombudsman het Constitutioneel Hof van Sint Maarten (hierna ook: “het Hof” of “het Constitutioneel Hof”) verzocht enkele onderdelen van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, zoals aangenomen door de Staten en bekrachtigd door de Regering van Sint Maarten, te toetsen aan de Staatsregeling van Sint Maarten (“de Staatsregeling”). Met toestemming van de President van dit Hof en op de voet van artikel 18 van de Landsverordening Constitutioneel Hof heeft de Ombudsman op 15 maart 2013 een aanvullend verzoekschrift ingediend, waarin zij onder meer de regeling van de levenslange gevangenisstraf en in het bijzonder de verenigbaarheid van deze regeling met de artikelen 3 en 30, eerste lid, van de Staatsregeling aan de orde stelt.

1.2. De Regering heeft op 20 mei 2013 een verweerschrift ingediend. Volgend op een “case management conference” van de President van het Hof met de Ombudsman en de raadsman van de Regering, gehouden in aanwezigheid van de Griffier van dit Hof, hebben beide partijen ieder een schriftelijke uiteenzetting gedeponeerd – de Ombudsman op 3 juni 2013 en de Regering op 17 juni 2013.

1.3. De openbare behandeling van deze zaak vond plaats op 2 juli 2013 te Philipsburg, Sint Maarten. Bij het sluiten van de behandeling heeft het Hof partijen medegedeeld dat uitspraak zou worden gedaan op 30 september 2013.

1.4. Om de hierna volgende redenen is het Hof evenwel van oordeel dat het nodig is om, vooruitlopend op een eindbeslissing, een tussenbeslissing te geven, hetgeen noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat die eindbeslissing op een latere datum dan aanvankelijk medegedeeld zal plaatsvinden.

2. Levenslange gevangenisstraf

2.1. Artikel 1:13, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat is voorgelegd aan dit Hof (“het nieuwe Wetboek van Strafrecht”), voorziet in algemene termen in de mogelijkheid van het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

2.2. De geschiedenis van dit wetboek gaat terug tot het ontwerp-Wetboek van Strafrecht dat op 22 december 2009 aan de Staten van de Nederlandse Antillen werd aangeboden (Staten van de Nederlandse Antillen 2009/2010, 3507, no. 2). Na de staatkundige transitie die plaatsvond in 2010 en overeenkomstig het Additioneel artikel IV van de Staatsregeling, werd dit wetsvoorstel door de Staten van Sint Maarten in behandeling genomen. Het wetsvoorstel bevatte toen nog een artikel 28, dat bepaalde dat een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd door het Gemeenschappelijk Hof voorwaardelijk in vrijheid moet worden gesteld indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging van die straf geen redelijk doel meer dient. In het geval dat het Hof niet tot invrijheidstelling overgaat, dient het de situatie opnieuw na vijf jaren jaren en zonodig telkens na vijf jaren te beoordelen.

2.3. Bij Vijfde Nota van Wijziging (Staten van Sint Maarten 2010/2011, 019-3507, no. 12) is dit artikel 28 in het ontwerp-Wetboek van Strafrecht komen te vervallen.

2.4. Volgens de Ombudsman levert het doen vervallen van artikel 28 in het oorspronkelijke ontwerp een schending van artikel 3 van de Staatsregeling op. Deze bepaling verbiedt “wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.” Naar haar mening levert het doen vervallen van deze bepaling – hetgeen tot gevolg heeft dat levenslang gestraften alleen nog middels gratie in vrijheid gesteld kunnen worden – ook een schending op van onder meer artikel 30, eerste lid, van de Staatsregeling, welke bepaling eist dat ”allen aan wie de vrijheid is ontnomen worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon.” De Regering heeft gesteld dat het Hof zich op dit punt onbevoegd moet verklaren dan wel dat de Ombudsman in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek, aangezien artikel 127 van de Staatsregeling het Constitutioneel Hof alleen toestaat de constitutionaliteit van landsverordeningen en andere wettelijke regelingen te toetsen, doch dat deze bepaling niet toelaat dat ook het doen vervallen van een bepaling in een ontwerp-regeling op verenigbaarheid met de Staatsregeling wordt getoetst.

2.5. Het Constitutioneel Hof is van oordeel dat het verzoek van de Ombudsman met betrekking tot dit onderwerp in redelijkheid aldus dient te worden verstaan, dat hier sprake is van een in het nieuwe Wetboek van Strafrecht – wederom – vaststellen van een reeds in het huidige wetboek bestaande regeling, welke inhoudt dat de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om zijn detentie periodiek door een rechterlijke instantie te doen toetsen op de gepastheid van een voortzetting van de tenuitvoerlegging van die straf. Het argument is dan ook niet zozeer dat het doen vervallen van de genoemde bepaling een schending van de Staatsregeling oplevert, maar veeleer dat ontbreken van de door deze bepaling geschapen toetsingsmogelijkheid een zodanige schending tot gevolg kan hebben. Ter zitting heeft de gemachtigde van de Regering erkend dat een rechtsregel welke in een vigerende wettelijke regeling is opgenomen en wederom wordt vastgesteld als onderdeel van een nieuwe wettelijke regeling welke de eerstgenoemde vervangt, inderdaad door het Hof kan worden getoetst op verenigbaarheid met de Staatsregeling. Het Hof sluit zich aan bij deze zienswijze en voegt daaraan toe dat er geen “savings clause” in de Staatsregeling is opgenomen op grond waarvan een bestaande regeling welke wederom wordt vastgesteld in nieuwe regeling gevrijwaard zou zijn van een toetsing door dit Hof. Het Constitutioneel Hof acht zich derhalve bevoegd deze klacht in behandeling te nemen en de Ombudsman kan daarin worden ontvangen.

2.6. Ter zitting heeft de Ombudsman daarnaast als klacht naar voren gebracht dat over de inhoud van voornoemde Vijfde Nota van Wijziging ten onrechte door de Regering geen advies is gevraagd aan de Raad van Advies. Wat daarvan verder ook zij, deze klacht is tarief, en zal derhalve door het Hof in dit specifieke onderdeel niet worden behandeld. Wel zal het Hof vergelijkbare, wel tijdig ingediende klachten met betrekking tot andere voorgelegde onderdelen van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, in de eindbeslissing beoordelen.

2.7. Ter zake van het door de Ombudsman voorgelegde vraagstuk, te weten of in het licht van artikel 3 van de Staatsregeling dient te zijn voorzien in een periodieke rechterlijke toetsing na  zekere tijd van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, merkt het Hof op dat op 9 juli 2013, een week na de zitting van het Constitutioneel Hof, de Grote Kamer van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak van Vinter en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, Appl. nos. 66069/09, 130/10 en 3896/10 (www.hudoc.echr.coe.int), uitspraak heeft gedaan met betrekking tot een onderwerp dat grote overeenkomst vertoont met de kwestie die thans bij dit Hof aan de orde is. Het EHRM overwoog dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf aan een volwassen persoon “is not in itself prohibited by or incompatible with Article 3 (van het EVRM) or any other Article of the Convention” (§ 106), maar dat “the imposition of an irreducible life sentence on an adult may raise an issue under Article 3” (§ 107). Het EHRM verklaarde verder dat “no issue arises under Article 3 if a life sentence is de jure or de facto reducible.” (§ 108). Het was daarenboven van oordeel dat “for a life sentence to remain compatible with Article 3, there must be both a prospect of release and a possibility of review.” (§ 110). Het EHRM overwoog voorts “that, in the context of a life sentence, Article 3 must be interpreted as requiring reducibility of the sentence, in the sense of a review which allows the domestic authorities to consider whether any changes in the life prisoner are so significant, and such progress towards rehabilitation has been made in the course of the sentence, as to mean that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds” (§ 119). Hoewel het EHRM verklaarde dat het “is not its task to prescribe the form (executive or judicial) which that review should take” noch “to determine when that review should take place”, zag het niettemin “clear support for the institution of a dedicated mechanism guaranteeing a review no later than twenty-five years after the imposition of a life sentence, with further periodic reviews thereafter” (§ 120). Het EHRM concludeerde dat “where domestic law does not provide for the possibility of such review, a whole life sentence will not measure up to the standards of Article 3 of the Convention” (§ 122). Het arrest maakt daarnaast duidelijk dat de toetsing van een levenslange gevangenisstraf op ruimere gronden dient te geschieden dan uitsluitend op basis van “mededogen” (§ 128).

2.8. Gegeven het feit dat artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van de Staatsregeling nagenoeg gelijkluidend zijn, lijkt het recente arrest van het EHRM relevant te kunnen zijn voor de beoordeling van de vraag of artikel 1:13 van het nieuwe Wetboek van Strafrecht verenigbaar is met in het bijzonder artikel 3 van de Staatsregeling, en mogelijk ook met artikel 30, eerste lid, van de Staatsregeling. Gegeven deze omstandigheid, acht het Constitutioneel Hof het noodzakelijk om partijen de mogelijkheid te geven zich uit te laten over de implicaties van het arrest voor de beantwoording van deze vraag. Hiertoe stelt het Hof partijen in de gelegenheid om gelijktijdig bij akte op dit arrest te reageren, waarna zij elk gelijktijdig nog een antwoord-akte kunnen nemen. In het bijzonder wordt partijen gevraagd een standpunt in te nemen ten aanzien van de vraag of en zo ja in hoeverre het arrest van invloed dient te zijn op de uitleg van artikel 3 van de Staatsregeling, en of en zo ja in hoeverre het arrest – mede in het licht van de beantwoording van de vragen gesteld in de volgende rechtsoverweging – consequenties heeft voor de beoordeling van de verenigbaarheid met deze bepaling van de onderhavige regeling in het nieuwe Wetboek van Strafrecht.

2.9. Aan de Regering wenst het Constitutioneel Hof in verband met het vorenstaande de volgende vragen voor te leggen, die in voornoemde akte kunnen worden beantwoord, en waarop de Ombudsman in de antwoord-akte kan reageren.

a. Hoeveel levenslang gestraften zijn er in Sint Maarten?

b. Hoe lang duurt inmiddels de detentie van deze levenslang gestraften?

c. Is de Regering bekend met gratieverzoeken die door of voor deze levenslang gestraften zijn gedaan en, indien zij zijn gedaan, hoeveel tijd van de detentie er ten tijde van het verzoek was verstreken en wat de uitkomst van het verzoek was?

d. Indien bedoelde gratieverzoeken zijn gedaan, is er afgeweken van het advies van de rechter door wie het vonnis is gewezen?

e. Artikel 118 van de Staatsregeling luidt: ‘Gratie wordt verleend bij landsbesluit na ingewonnen advies van de rechter door wie het vonnis is gewezen met inachtneming van bij of krachtens landsverordening te stellen voorschriften.’ Voor zover het Constitutioneel Hof bekend, is de landsverordening waarnaar in artikel 118 van de Staatsregeling wordt gerefereerd nog niet tot stand gekomen. Is dit juist? Wordt aan het tot stand brengen ervan gewerkt en zo ja, wat is de stand van zaken met betrekking tot deze wetgeving?

f. In de Toelichting bij voornoemde Vijfde Nota van Wijziging, waarin de periodieke rechterlijke toetsing na zekere tijd van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf is komen te vervallen, wordt door de regering uitdrukkelijk verwezen naar de mogelijkheid van gratie, waarbij met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde wordt rekening gehouden en wordt het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 16 juni 2009, LJN: BF3741, Nederlandse Jurisprudentie 2009, 602 aangehaald. Kan de regering bevestigen dat hiermee bedoeld is dat gratie zal worden verleend indien, in de terminologie van artikel 2, aanhef en onder b, van de Nederlandse Gratiewet ‘aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechttoepassing na te streven doelen in redelijkheid wordt gediend’, of, in de woorden van de Grote Kamer van het EHRM in Vinter, § 119: ‘continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds’?

2.10. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden tot de navolgende datum.

Beslissing

Het Constitutioneel Hof:

laat de Ombudsman en de Regering toe vóór 6 september 2013 gelijktijdig de in rechtsoverweging 2.8 bedoelde akte te nemen;

laat de Ombudsman en de regering toe vóór 27 september 2013 gelijktijdig de in rechtsoverweging 2.8 bedoelde antwoord-akte te nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot vrijdag 18 oktober 2013 te 10.00 uur.

Deze tussenbeslissing is gegeven door mrs. Jacob Wit, Jan de Boer en Ben Vermeulen, respectievelijk President, Lid en Plaatsvervangend Lid van het Constitutioneel Hof van Sint Maarten en namens het Hof door zijn President in het bijzijn van de Griffier, Maritsa James-Christina, middels video-conferencing uitgesproken ter openbare zitting van donderdag, 15 augustus 2013 te 13.30 uur.

 

 

Advertenties